Dames en
heren,
Kort is de tijd, en onherroepelijk, dus ik zal het met mijn
openingswoord maar niet te lang maken. U komt hier immers niet voor toespraken
en plichtplegingen, maar voor kunst en park en voor de bijzondere symbiose van
deze twee in de huidige tentoonstelling. Een tentoonstelling die is
samengesteld en georganiseerd door Ankie Boomstra, die ik daarvoor graag wil
complimenteren. Ik wil haar ook graag bedanken voor de uitnodiging die ze mij
gedaan heeft om deze tentoonstelling met een woord te openen. Gezien de
kwaliteit van de presentatie en de deelnemende kunstenaars is dit voor mij een grote
eer. Nou kan ik me echter wel goed voorstellen dat u zich afvraagt waarom het
hoofd Autonome Kunst van Academie Minerva en het Frank Mohr
Instituut deze
opening verricht. Ik heb me dat zelf uiteraard ook afgevraagd. Natuurlijk is
één van de deelnemers, Sander Jorn Vermeulen, alumnus van onze academie. Maar ben
ik verder zelf betrokken geweest bij voorbereiding, keuze of organisatie? Nee. Is
Academie Minerva nog op andere wijze partner in deze tentoonstelling? Ook niet
echt. Zijn de deelnemende kunstenaars dan soms als docent verbonden aan onze
academie? Helaas ook niet, alhoewel dat misschien nog
kan veranderen. Maar over de uitnodiging hoefde ik toch niet lang te twijfelen.
Naast de bewondering die ik persoonlijk voel voor de deelnemende kunstenaars,
is het vanuit mijn betrokkenheid bij het kunstonderwijs dat ik hier graag sta.
Het is weliswaar midden in de zomervakantie, maar met de eindexamens nog vers in
het geheugen en met het nieuwe academisch jaar in het vooruitzicht, besef ik me
al te goed dat juist in het onderwijs de tijd ‘kort en onherroepelijk’ is. Niet
iets voor studenten zelf om daar al te zeer bij stil te staan, voor hen moet de
tijd eindeloos en genereus zijn, maar tegelijk zal met het verstrijken van de
tijd het besef van kortstondigheid ervan alleen maar toenemen. En vanuit dit
perspectief van de herinnering zijn jeugd en studietijd korte, maar des te
kostbaarder momenten van ontwikkeling en ervaring. Misschien is het wel
essentieel voor het kunstonderwijs om dit besef bij te brengen zonder dat het
doorslaat naar een vroegtijdig en frustrerend gevoel van vergankelijkheid. Er
zullen ongetwijfeld voorbeelden te geven zijn die het tegendeel illustreren,
maar ik ben ervan overtuigd dat een goed kunstenaar al
vroeg zijn volwassenheid bereikt en nog laat zijn jeugdigheid behoudt. In dit
opzicht is een kunstwerk veel meer keuze dan voorstel, meer resultaat dan
experiment en meer herinnering dan proces. Het kunstwerk is zoals de kunstenaar
het formuleert en niet zoals in het in de exegese van de kunstkritiek wordt
gefileerd. De academie wil de jonge kunstenaars het besef van de noodzaak tot
heldere keuze en formulering bijbrengen. Misschien wel om in deze formulering
iets van de jeugdigheid vast te leggen en vorm te geven. Misschien ook wel om
daarmee de tijd in haar onherroepelijk verstrijken even stil te zetten. Ik heb
begrepen dat de titel van deze tentoonstelling is ontleend aan een spreuk op de
zonnewijzer in het park. Dat is mooi gevonden en uiterst toepasselijk. De
zonnewijzer die met zijn schaduw het tijdsverloop aangeeft en indirect
herinnert aan vergankelijkheid en vanitas. De schaduw
in de kunst is overigens een interessant onderwerp. De grote Engelse
kunsthistoricus Ernst Gombrich heeft er een studie
aan gewijd. Maar de moderne kunst staat ambivalent tegenover de schaduw. De
kunstenaar Jannis Kounellis
zei over Mondriaan: ‘Hij heeft de schaduw uit het schilderij laten verdwijnen.’ Maar zelfs
Mondriaan kon zijn schaduw niet ontlopen en wist zich gevangen in een
onherroepelijk tijdsverloop. Ritmiek en dynamiek van zijn werk duiden
ook op een verloop van beweging en tijd.
Het is
toepasselijk dat Kounellis genoemde opmerking over
Mondriaan heeft gedaan. Kunstenaars kunnen vaak treffende karakteriseringen
geven omdat ze kunst aan kunst weten te relateren. Dit is geen cirkelredenering
maar een essentieel gegeven voor het begrip dat kunst over kunst gaat. De
Belgische kunstcriticus Bernard Dewulf
beschreef de bekende kunst en poëziepresentatie in het West-Vlaamse Watou eens als ‘een doolhof van betekenissen, stemmen,
raadsels, associaties, suggesties en een enkele zekerheid’, en ik acht deze
omschrijving ook op deze tentoonstelling in Beeldenpark Vijversburg van
toepassing. Niet de onontkoombare waarheid van de zonnewijzer staat hier
centraal, maar de raadsels en suggesties die er door de kunstenaars tegenover
worden gesteld. De nuchtere dooddoener is voor het moment verstopt in een
doolhof van vreemde betekenissen. De zonnewijzer komt zelf tijdelijk in de
schaduw te staan van de omringende kunstwerken.
Kunst is
een raadsel en behoort dat ook te blijven. Wie van kunst iets anders wil maken,
gaat voorbij aan de essentie van verwondering. In een prachtig gedicht schreef
Ida Gerhardt dat ‘geen mensenkind kan weten waar de
herkomst van het vers ligt’. En zo is het. Wie bekend is met het
kunstonderwijs, is ook vertrouwd met de verrassing en verbazing bij het zien
van onverwachte resultaten en onvoorziene ontwikkeling. Plotselinge kwaliteit
van onbekende herkomst. Talent dat uit het niets lijkt te komen. Vorige week
konden we in de krant lezen dat minister Rouvoet
‘geloof een andere vorm van wetenschap’ vindt. Ik vraag me dan af waarom het
niet-weten de autoriteit van het weten zou moeten hebben. Waarom moet het
raadsel van het ‘niet kennen’, van verwondering en vertrouwen, de
schijnzekerheid van kennis krijgen? Het is niet aan mij om hier nu verder al te
diep op in te gaan, maar het treft me omdat ik in deze kwestie een parallel zie
met de omgang met kunst zoals die soms door overheden wordt beleden. En ook in
het onderwijs ligt deze neiging naar objectivering en kwantificeerbaarheid wel
op de loer. Begrijpelijk voor procedures, budgetten en taakstellingen, maar
volstrekt onbruikbaar voor een beter begrip van wat kunst zou kunnen zijn. De
herkomst van het vers ligt in een onbekende bron. Misschien wel een bron van
twijfel, raadsels en associaties. Pas in zijn vorm en formulering vindt het
kunstwerk zijn overtuiging en zekerheid van ‘zo en niet anders’. Even
onherroepelijk als de tijd die het met zijn bestaan overwint. En zo presenteren
zich de kunstwerken ook vandaag aan ons; vreemd, verrassend en vertrouwd
tegelijk. Omdat ze er zijn zoals ze er moeten zijn. Onontkoombaar. Zij zetten
de tijd even stil en bieden ons hun raadselachtige aanwezigheid. Een
uitnodiging aan ons allen, aan bezoekers van het park, aan passanten, aan
nieuwsgierigen, aan politici, aan dichters en denkers en aan studenten.
Morgen is
de tijd weer kort maar vandaag hebben wij allemaal de eeuwige jeugd. Graag
bedank ik de kunstenaars hiervoor.
Leo
Delfgaauw
2-8-2008